UBO-begrip eindelijk verduidelijkt

17/04/18

Op 6 april 2018 is het ontwerp van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 (het ontwerpbesluit) door de Minister van Financiën aangeboden aan de Tweede Kamer. Dit besluit brengt eindelijk meer duidelijkheid over wie in Nederland kwalificeert als UBO en welke entiteiten er onder de registratieverplichting vallen.

Wat betekent dit voor u?

Met aanbod van het ontwerpbesluit komt de implementatie van het UBO-register nu dan echt dichterbij. Eerder informeerden wij u al over de komst en de gevolgen van het UBO-register voor u als UBO. Naar aanleiding van onder andere de reactie van PwC op de consultatie over de invulling van het UBO-begrip, is het ontwerpbesluit op een aantal belangrijke punten gewijzigd ten opzichte van de consultatieversie.

Helaas is echter geen gehoor gegeven aan onze oproep om het UBO-register niet openbaar te maken. In onze beleving is er immers geen argument om deze gegevens beschikbaar te maken voor het grote publiek. In de huidige maatschappelijke en politieke context, lijkt dat echter een gepasseerd station.

Wijzigingen

In de eerste plaats is de Nederlandse invulling van de vierde anti-witwasrichtlijn meer toegespitst op de in Nederland voorkomende rechtsvormen. Stichtingen worden daarom -samen met verenigingen, onderlinge waarborgmaatschappijen en coöperaties- tot de ‘overige rechtspersonen’ gerekend. Hiermee wordt onderkend dat een stichting in Nederland rechtspersoonlijkheid heeft en qua vorm en functie beter vergelijkbaar is met ‘overige rechtspersonen’ dan met trusts. Het gevolg hiervan is dat natuurlijke persoon of personen die direct of indirect meer dan 25% van het “eigendomsbelang” in een stichting houden, (ook) kwalificeren als UBO.

Daarnaast heeft de wetgever gezorgd voor een eenduidig UBO-begrip. De begripsomschrijving van UBO in de vierde anti-witwasrichtlijn is zowel relevant voor het cliëntenonderzoek door financiële instellingen, als voor de centrale registratie van UBO-informatie. In ons Actueelbericht “PwC-reactie op consultatie: wetgever, zorg voor eenduidig UBO-begrip!” las u eerder al over de reactie van PwC op de consultatie. PwC pleitte er voor om de invulling van het UBO-begrip voor cliëntidentificatie zo min mogelijk te laten verschillen van dat voor de UBO-registratie. Naar aanleiding van onder andere de reactie van PwC, is in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit verduidelijkt dat beide UBO-begrippen op elkaar aansluiten.

Ook is verduidelijkt dat de uitzondering voor beursgenoteerde vennootschappen waarop openbaarmakingsvereisten al van toepassing zijn, ook geldt voor 100% dochtermaatschappijen van deze beursgenoteerde vennootschappen. Omdat in deze gevallen de UBO’s van de dochtermaatschappij dezelfde zijn als de UBO’s van de beursgenoteerde vennootschap, kan deze uitzondering zich ook tot de dochtermaatschappij van de beursgenoteerde vennootschap uitstrekken.

Tot slot is de reikwijdte van het begrip ‘hoger leidinggevend personeel’ verduidelijkt. Ten behoeve van het identificeren van de UBO(’s) van een juridische entiteit moet onder het hoger leidinggevend personeel, het statutair bestuur worden verstaan. In het geval van personenvennootschappen, die geen statutair bestuurders kennen, worden de vennoten tot het hoger leidinggevend personeel gerekend.

Regeldruk

In diverse consultatiereacties is aandacht gevraagd voor de gevolgen van de implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn voor de regeldruk. De Minister van Financiën onderkent dat (onder andere) de registratieverplichting grote gevolgen heeft voor de regeldruk van het bedrijfsleven, maar acht deze tegelijkertijd proportioneel.

De Minister geeft aan dat de gevolgen die de wet- en regelgeving met zich brengen, doorlopend gemonitord worden. Waar mogelijk zullen instellingen worden ondersteund bij de naleving hiervan, bijvoorbeeld door middel van de leidraden van de Rijksoverheid en de toezichthouders.

Tijdpad voor de Nederlandse implementatie

​De Tweede Kamer zal een schriftelijk overleg starten over het aangeboden ontwerpbesluit. De vragen in de Tweede Kamer moeten worden ingediend op 26 april 2018. Ook de Eerste Kamer zal debatteren over het ontwerpbesluit. De vragen aldaar worden vastgesteld op 17 april 2018. Naar verwachting zal het Nederlandse UBO-register deze zomer in werking treden.

Tijdpad voor de Europese aanscherping van het UBO-register

In ons laatste PwC Actueel-bericht over het UBO-register “UBO-register door Europa verder aangescherpt" informeerden we u over de aanscherpingen van de vierde anti-witwasrichtlijn. De aangepaste en goedgekeurde richtlijn wordt uitgewerkt en vervolgens aangeboden aan alle lidstaten van de EU via een officiële publicatie in het Publicatieblad van de EU. Dit zal vermoedelijk medio 2018 plaatsvinden. De lidstaten zullen dan de verplichtingen die voortkomen uit de aangepaste richtlijn, eind 2019 (binnen 18 maanden na de officiële publicatie) moeten implementeren in hun nationale wetgeving.

Op basis van de nu bekende punten van de aanscherping, zal er voor Nederland geen belangrijke wijziging van het ontwerpbesluit nodig zijn. Omdat Nederland met het huidige ontwerp al voldoet aan de nu bekende verplichtingen op basis van de aangepaste richtlijn, loopt Nederland met haar ontwerpbesluit vooruit op de (aangepaste) vierde anti-witwasrichtlijn.

Meer informatie over het UBO-register?

Bekijk onze drie publicaties:

‘Stilstaan bij privacy voordat we alles transparant maken’ van juli 2017.
‘Wat is de ruimte voor privacy in een transparante wereld?’ van juli 2016.
‘Op zoek naar de balans tussen transparantie en privacy’ van december 2015.

Contact

Jan Nieuwenhuizen

Senior director, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)88 792 14 38

Renate de Lange-Snijders

Partner, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)88 792 39 58

Volg ons