In het werkprogramma 'Schoon en Zuinig: Nieuwe energie voor het klimaat' beschrijft het kabinet de doelstellingen waarmee ze internationaal het goede voorbeeld wil geven. Het kabinet wil dat de uitstoot van broeikasgassen in 2020 met 30% is teruggebracht ten opzichte van 1990. Hiervoor moet de energiebesparing stijgen van 1% naar 2% per jaar en moet het aandeel duurzame energie in 2020 gestegen zijn naar 20%. Met name dit laatste doel lijkt hoog gegrepen, gezien het aandeel duurzame energie in 2007 met slechts 0,1 procentpunt steeg ten opzichte van 2006, tot 2,9%.
Bij ambitieuze doelen hoort een ambitieuze inzet. Het kabinet kan deze doelstellingen slechts bereiken als het ondernemers weet te stimuleren om mee te werken aan het innoveren van onze energievoorziening. En juist op dit punt heeft de Nederlandse overheid zich de afgelopen jaren onbetrouwbaar getoond.
Een voorbeeld van het onbetrouwbare overheidsbeleid is de afschaffing in 2006 van de subsidieregeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP). De MEP-subsidie was bedoeld voor producenten van duurzame elektriciteit en elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling, om de meerkosten ten opzichte van gewone stroomproductie te overbruggen. Belangrijkste reden voor de afschaffing van deze subsidie was dat de Europese doelstelling van 9% duurzame elektriciteit in 2010 gehaald zou worden. De opvolgende regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) ging anderhalf jaar later van start in maart 2008. Ook wijziging van deze regeling is niet onmogelijk als het kabinet in 2010 de inzichten gaat bijstellen voor de duurzame energiedoelen en de beschikbare financiële ruimte.
De gang van zaken rondom de MEP en de SDE-regeling heeft de indruk van stabiliteit voor ondernemers niet vergroot om op de langere termijn te investeren in duurzame energie. En juist innovatie van duurzame energiewinning is een kwestie van lange adem. Juist nu, ten tijde van economische tegenwind, heeft deze sector de steun van de overheid nodig.
Bij de ontwikkeling van het Prinses Amaliawindpark in zee bijvoorbeeld, verstreek tien jaar tussen de start van het project en de levering van de eerste ‘groene’ stroom. De vergunningenaanvraag alleen al nam vier jaar in beslag. Wind is voor Nederland de voornaamste bron van duurzame energie. Momenteel kan er 228 megawatt vermogen worden opgewekt door onze windparken. Om de regeringsdoelstellingen te halen, is 6000 megawatt nodig, ruim 26 keer zoveel als nu beschikbaar is. Met de huidige productietijd om een windmolenpark van de grond te krijgen lijkt deze doelstelling onhaalbaar.
Het stimuleren van de ontwikkeling van duurzame energie is enkel mogelijk als er een stabiel systeem van subsidies en regelingen bestaat, dat bovenal snel doorlopen kan worden door de ondernemers die aan de slag willen. Voorts dient een helder en snel proces voor het verkrijgen van vergunningen te worden gerealiseerd. Tot op heden moeten ondernemers via te veel verschillende loketten bij ministeries om een vergunning te verkrijgen. Vooralsnog ontbreekt het in Nederland aan het stabiele ondernemingsklimaat dat nodig is om innovatieve bedrijven over de streep te trekken om te investeren in duurzame oplossingen. En dat is hard nodig. Bovendien kan een focus op investeren in de toekomst een goede economische stimulans betekenen.