AEX+ zuinig met informatie over verdienmodel, waardecreatie en beloning

Opmars geïntegreerde verslaggeving stagneert

Na jaren van grote stappen voorwaarts, stokt de integratie van essentiële informatie in het jaarverslag van Nederlandse ondernemingen, zo blijkt uit een analyse van de jaarverslagen 2012 van AEX-fondsen, aangevuld met ruim 25 andere grote ondernemingen. PwC legde de jaarverslagen langs de lat van het nieuwe integrated-reporting-raamwerk van de International Integrated Reporting Council (IIRC). In december wordt dit conceptuele raamwerk definitief.

Ondernemingen boeken vooruitgang, maar worstelen met het inzichtelijk maken van fundamentele zaken. Dat betreft vooral het beloningsbeleid in relatie tot de strategie, de houdbaarheid van het verdienmodel en zaken die de langetermijnwaarde van een onderneming bepalen. Slechts 6% procent scoort relatief hoog op de meeste aspecten van integrated reporting. Ongeveer de helft (48%) scoort goed op onderdelen, maar kan nog veel verbeteren. De overige 46% blijft ver achter op het gebied van geïntegreerde verslaggeving. Unilever, Eureko, DSM, Philips en Unibail Rodamco scoren het best. Het verschil tussen koplopers en peloton is groot.

Integrated reporting helpt ondernemingen hun proces van waardecreatie centraal te stellen. Daardoor voldoen ze beter aan de informatiebehoefte van beleggers en andere belanghebbenden. Het raamwerk stelt ze in staat om uit te leggen wat is waargemaakt van gedane beloftes en welke impact dit heeft op hun omgeving. Deze nieuwe verslaggevingsvorm zat sterk in de lift. “Nu het laaghangende fruit is geplukt, is het tijd voor een volgende stap”, zegt PwC-partner Robert van der Laan, partner bij PwC.

“Nederland behoort tot de koplopers, toch is er nog veel ruimte voor verbetering. Het tipping point lijkt bereikt, de ontwikkeling naar betere verslaggeving vlakt af. Ik verwacht dat de stagnatie van tijdelijke aard is. Het onderwerp staat hoog op de politieke agenda en bedrijven ontplooien samen met overheid en maatschappelijke organisaties concrete initiatieven.”

Ondernemingen worstelen vooral met het meten en zichtbaar maken van niet-financiële informatie. Dat is informatie die inzicht geeft in de bredere maatschappelijke impact van een organisatie en de voortgang met betrekking tot strategische beloftes op terreinen als duurzaamheid en innovatie. “Veel ondernemingen doen beloftes voor de periode richting 2020, maar men geeft weinig inzicht in waar ze anno 2013 staan. Ze maken nauwelijks hard hoe toekomstigbestendig hun verdienmodel is, hoe governance, organisatiecultuur en beloningsbeleid bijdraagt aan strategische doelen en welke invloed hun handelen heeft op de omgeving waarin ze opereren. Bij dat laatste gaat het bijvoorbeeld om werkgelegenheid, veiligheid in het bedrijf, arbeidsomstandigheden in de gehele keten en milieu.

Beleggers vragen om integrale verantwoording, omdat is aangetoond dat duurzame bedrijven minder risico’s lopen. Belangengroepen en toezichthouders vragen ernaar om te kunnen volgen hoe bijvoorbeeld het klantbelang in de financiële sector weer centraal wordt gesteld. Ook blijkt dat externe verantwoording een intern disciplinerende werking heeft en dat transparantere ondernemingen in staat zijn om tegen een lagere vergoeding kapitaal aan te trekken vanwege hun lagere risicoprofiel.

Waarom komt betere verslaggeving dan toch zo moeilijk van de grond? Robert van der Laan wijt dit onder andere aan het ontbreken van een gemeenschappelijke taal voor niet-financiële informatie. “Duurzaamheid gaat over een uiteenlopend aantal vraagstukken, zoals innovatie, biodiversiteit, klimaatverandering en mensenrechten in de keten. Resultaten worden in verschillende grootheden uitgedrukt, waardoor ze onderling niet vergelijkbaar zijn. Neem in het kader van obesitas een innovatie die leidt tot minder suiker in de voeding, maar waarvan de productie leidt tot grotere uitstoot van broeikasgassen. Om zo’n vraagstuk hanteerbaar te maken voor een raad van bestuur, dient één gemeenschappelijk taal te worden ontwikkeld. Een taal die de belegger in staat stelt dit soort informatie in zijn waarderingsmodellen op te nemen.”

Belangrijkste uitkomsten:

  • De jaarverslagen scoren het best op het gebied van kansen en risico's.
  • Strategische keuzes worden steeds beter uitgelegd en geïntegreerd in de jaarverslagen: 94% beschrijft de strategische prioriteiten en 90% benoemt externe ontwikkelingen die invloed hebben op prestaties. De onderbouwing van deze claims loopt nog wel wat achter.
  • De jaarverslagen scoren het minst op inzicht geven in de waarde die hun onderneming creëert. Slechts 13% beschrijft hun verdienmodel in termen van waardecreatie (het financieel, sociaal en ecologisch rendement van de organisatie) en slechts 4% maakt de verbinding tussen het verdienmodel en de omgeving waarin het opereert.
  • De gegevens in jaarverslagen worden te weinig ondersteund door (toetsbare) prestatie-indicatoren. Bijna de helft (44%) beschrijft hoe en waarom ze hun prestaties meten op het gebied van strategie en waardecreatie. Hoewel 78% de overkoepelende doelen van het bedrijf benoemt in hun jaarverslag, geeft slechts 15% aan welke indicatoren ze gebruiken om dit te meten.
  • De jaarverslagen scoren matig op het gebied van governance. Geen van de onderzochte verslagen bereikt effectieve rapportage op dit gebied. 87% laat geen samenhang zien tussen informatie over de governance en de overige informatie. Daardoor krijgt de lezer onvoldoende inzicht in de ondernemingscultuur, hoe het management samenwerkt en hoe effectief het bestuur is.
  • De verslagen geven niet aan hoe managementvergoedingen aansluiten bij strategische doelen. Slechts 12% rapporteert hierover. 65% rapporteert over bestuursverantwoordelijkheden, maar wat het bestuur daadwerkelijk heeft gepresenteerd blijft vaak vaag. Slechts 8% rapporteert duidelijk over deze zogenoemde board effectiveness.
  • Ondernemingen zijn huiverig om toekomstgerichte informatie te verschaffen. Een kwart geeft effectief aan hoe zij de toekomstige winstgevendheid van de onderneming wil waarborgen in relatie tot externe ontwikkelingen.
  • Nog geen kwart (21%) rapporteert kwantitatief over beschikbaarheid van niet-financiële hulpbronnen, zoals schaarse grondstoffen.