PPI

PPI
 


De premiepensioeninstelling

Per 1 januari 2011 is de premiepensioeninstelling, afgekort PPI, in de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Pensioenwet opgenomen. De PPI is geschikt voor het uitvoeren van collectieve pensioenregelingen en vormt daarmee een alternatief voor de uitvoering door een verzekeraar of pensioenfonds.

De PPI mag alleen beschikbarepremieregelingen (Defined Contribution) uitvoeren, waarbij de premie vaststaat, maar de hoogte van het uiteindelijke pensioen afhankelijk is van de beleggingsresultaten. De PPI komt voort uit de Europese richtlijn voor pensioenfondsen (IORP) en is speciaal ontworpen om, op basis van haar Nederlandse vergunning, ook actief te zijn in de overige landen van de Europese Economische Ruimte (EER). De PPI kan derhalve ook pensioenregelingen uit het buitenland uitvoeren vanuit Nederland. 

Verschillen ten opzichte van pensioenfondsen en verzekeraars

Een belangrijk verschil ten opzichte van pensioenfondsen en verzekeraars is dat PPI’s, als gevolg van wettelijke beperkingen, zelf geen biometrische risico’s (zoals het langleven- en arbeidsongeschiktheidsrisico) mogen dragen. Om deze risico´s toch afgedekt te kunnen aanbieden aan de deelnemers, zal de PPI een derde partij, zoals bijvoorbeeld een levensverzekeraar, bereid moeten vinden om deze risico’s te dragen. 

PPI’s mogen daarnaast geen lijfrentes of levenslange uitkeringen verstrekken aan deelnemers van de PPI en de deelnemers zullen zich hiervoor moeten wenden tot bijvoorbeeld een verzekeraar. Tenslotte mogen PPI’s geen rendementgaranties afgeven en tevens geen garanties over de hoogte van een op te bouwen kapitaal of uitkering verstrekken. De PPI biedt voor werkgevers een aantrekkelijk alternatief in een wereld, waarin al meerdere jaren een verschuiving zichtbaar is van toegezegd pensioenregelingen (Defined Benefit) naar beschikbarepremieregelingen.

Solvabiliteitseisen en verslaggevingsaspecten

Bij de wetswijziging van de Wet of het Financieel Toezicht uit hoofde van de PPI heeft de wetgever veel aandacht besteed aan toezichtsaspecten en solvabiliteitseisen. Hierbij kan worden opgemerkt dat solvabiliteitseisen voor de PPI onlangs verder zijn aangescherpt.

De wetgever heeft geen specifieke regels voorgeschreven voor verslaggevingstechnische aspecten inzake de PPI en binnen de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving is geen specifieke PPI richtlijn opgenomen. De bepalingen van Titel 9 BW2 en de Richtlijnen van de Raad voor de Jaarverslaggeving zijn van toepassing.

Ten aanzien van de PPI spelen een aantal verslaggevingstechnische vraagstukken:

  • Moeten de beleggingen voor risico deelnemers op de balans van de PPI worden verantwoord?
  • Moeten de beleggingsopbrengsten voor risico deelnemers in de winst en verliesrekening van de PPI worden verantwoord?
  • In hoeverre bestaat een consolidatieplicht ten aanzien van de beleggingsfondsen waarin door de PPI wordt belegd voor risico van de deelnemers?

Dit zijn voorbeelden van complexe vraagstukken die om een antwoord vragen en waar PwC u zeker bij kan helpen!

Naast verslaggevingstechnische aspecten bestaan tevens interessante fiscale en juridische vraagstukken waar PPI’s mee te maken krijgen. Zo kan de vraag worden gesteld aan wie in de PPI achterblijvende sterfteresultaten toekomen. Tevens wordt geprobeerd om de PPI als uitvoeringsvorm geschikt te maken voor ZZP’ers.

De adviseurs van PwC volgen deze ontwikkelingen op de voet. Voor vragen kunt u contact opnemen met de volgende personen:

Wim Koelman
Jan Meijer
Partner PAIS
Senior Manager PAIS
088 79 26 340
088 79 27 654