Niets is meer zeker in pensioenland. Terwijl het buitenland nog altijd jaloers wijst op het unieke karakter van ons kapitaaldekkingsysteem, is duidelijk dat de houdbaarheidsdatum van het Nederlandse pensioenstelsel in zijn huidige vorm in zicht is. Een nooit eerder vertoonde combinatie van conjuncturele tegenwind (tegenvallende beleggingsopbrengsten en een lage lange rente) en van structurele oorzaken (een langere levensverwachting, vergrijzing van het deelnemersbestand en een afnemende solidariteit tussen leeftijdgroepen) vreet aan de fundamenten onder de tweede pijler van onze oudedagvoorziening. De pensioensector staat daarom voor een grote uitdaging en verantwoordelijkheid. Bestuurders van veel pensioenfondsen moeten financieel orde op zaken stellen, hun organisatie stroomlijnen en professionaliseren en de beheerssystemen verbeteren. De sociale partners moeten het eens worden over eenvoudigere en transparantere regelingen. Werkgevers moeten een beter inzicht krijgen in hun pensioenrisico’s om deze beter te kunnen beheersen. Deelnemers en gepensioneerden moeten op hun beurt leren leven met het feit dat de opbouw van een aanvullend pensioen niet risicovrij is en zeker geen garantie meer is voor een onbekommerde oude dag. In dat complexe en continu veranderende landschap moeten de best passende oplossingen worden gevonden voor elke situatie.
Gelukkig zijn er ook positieve ontwikkelingen. Werkgevers en werknemers hebben een akkoord gesloten dat inmiddels ook door de politiek is omarmd. Dat akkoord compenseert op termijn enigszins de onbalans tussen actief bijdragende deelnemers en trekkende pensioengerechtigden en verlengt de periode waarin pensioen kan worden opgebouwd. Bovendien zijn de mogelijkheden om
financiële en actuariële risico’s te mitigeren verruimd en heeft de wetgever de mogelijkheden vergroot voor fondsen om te internationaliseren en samen te werken.